Bij rekenen denken we al snel aan cijfers, sommen en tellen. Maar voor veel leerlingen met een ernstig meervoudige beperking (emb) begint rekenen veel eerder.
Bijvoorbeeld bij het herkennen van een volgorde.
Bij het begrijpen van het dagritme.
Bij het sorteren van spullen.
Of bij het ervaren van “meer”, “minder”, “eerst” en “daarna”.
Op Werkenrode School kreeg dit onderwerp extra aandacht na een rekenles in de klas. De intern begeleider keek mee tijdens een observatie en zag een les die goed liet zien hoe rekenen ook voor deze leerlingen betekenisvol kan zijn. De les werd opgenomen en gebruikt tijdens een studiedag over rekenen.
Daarna groeide het idee verder. Want vanuit de emb-klassen kwam ook een herkenbare vraag: wat betekent een studiedag over rekenen voor onze dagelijkse praktijk?
Die vraag was belangrijk. Want als een leerling niet spreekt, geen cijfersymbolen herkent of niet kan tellen, vraagt dat om een andere blik op rekenen.
Leraar Iris Loeffen verdiepte zich daarom in rekenen voor leerlingen met een ernstig verstandelijke beperking (evb). Niet vanuit het idee dat elke leerling naar dezelfde doelen toe moet. Wel vanuit de vraag: welke rekenvoorwaarden zijn er al zichtbaar? En hoe kunnen we die versterken?
Rekenen gaat dan over beginnende patronen. Over oorzaak en gevolg. Over volgorde, sorteren, vergelijken en herhalen.
Een liedje over de dagen van de week kan zo een rekenmoment zijn. Net als de dagplanning bespreken, een route lopen, om de beurt iets doen of een kiekeboespel waarbij een voorwerp even verdwijnt en weer terugkomt.
Het bijzondere is dat veel van deze momenten al in de schooldag zitten. Het vraagt niet altijd om een heel nieuw aanbod. Het vraagt vooral om bewust kijken: waar zit het rekendenken al in wat we doen?
Om collega’s hierbij te helpen, maakte Iris twaalf posters met rekenvoorwaarden. Op elke poster staat een korte uitleg, met voorbeelden van activiteiten die direct herkenbaar zijn in de klas.
Ook ontwikkelde ze praktische didactische modellen die beter aansluiten bij leerlingen in de emb-praktijk. De bekende modellen voor rekenen passen namelijk niet altijd goed bij deze doelgroep. Daarom vertaalde Iris ze naar stappen die dichter bij de ontwikkeling van deze leerlingen liggen: van concreet ervaren naar steeds iets meer begrijpen.
Zo wordt rekenen minder iets van een methode of een werkblad. Het wordt een manier om anders naar de dag te kijken.
Voor leerlingen kan dit veel betekenen. Zij krijgen meer kansen om mee te doen op een manier die past. Een leerling hoeft niet eerst cijfers te herkennen om aan rekenen te werken. Ook kleine stappen tellen.
Een leerling die een volgorde herkent.
Een leerling die merkt dat iets weg is en weer terugkomt.
Een leerling die een keuze maakt tussen twee voorwerpen.
Een leerling die leert wachten op zijn beurt.
Het zijn geen kleine momenten omdat ze eenvoudig lijken. Het zijn belangrijke bouwstenen voor ontwikkeling, zelfredzaamheid en meedoen.
Dit onderwerp laat ook zien hoe sterk onderwijs wordt als collega’s hun vragen en kennis delen. De intern begeleider zag een praktijkvoorbeeld. De emb-collega’s brachten een kritische en terechte vraag in. Iris verdiepte zich verder en maakte materiaal dat ook voor anderen bruikbaar is.
Zo ontstaat deskundigheid niet alleen in een studiedag, maar juist in het gesprek daarna. In de klas. Bij het team. En in het samen zoeken naar wat werkt voor deze leerlingen.
De posters en modellen kunnen collega’s helpen om rekenen in de emb-praktijk bewuster te zien en te versterken. Niet als extra taak erbij, maar als onderdeel van het dagelijks handelen.
Daarmee wordt rekenen toegankelijker. Voor leerlingen die al tellen. Maar ook voor leerlingen bij wie rekenen begint met kijken, voelen, kiezen, herkennen en herhalen.
Juist daar ligt de waarde: in onderwijs dat aansluit bij de leerling en bij wat vandaag mogelijk is.